Kennisbank > Dossier identiteit, leefstijlen en woonmilieus > Opinie details

Dossier Identiteit, leefstijlen en woonmilieus

We verkijken ons op de twee grote steden

Amsterdam en Rotterdam

Auteur(s) Duyvendak, J.W.
Datum uitgifte  feb 2006
Bron Trouw

Amsterdam is liberaler en Rotterdam is socialer dan het denkt. Daar moeten ze vanaf, maar ze zitten veel te vast in hun geloof in de eigen aanpak.

De twee grootste steden van ons land, Amsterdam en Rotterdam hebben een bestuur van verschillende politieke signatuur. Waarop kunnen we hun prestaties beoordelen in deze verkiezingstijd? Globaal gesproken staan stadsbestuurders voor twee grote opgaven: ze moeten de permanente instroom van nieuwe, vaak nog laagopgeleide bewoners de kans bieden
om zich te emanciperen, om zich omhoog te werken (de stad als sociale lift). Daarnaast moeten ze zorgen dat de bewoners zich thuis voelen in de stad, dat ze binding hebben met de plek en met hun medebewoners.
Veel opiniemakers lijken te denken dat Amsterdam vooral goed is in het tweede omdat burgemeester Cohen het bij voortduring heeft over ’de boel bij elkaar houden’. Op het oog ligt het accent in Amsterdam dus op sociale cohesiebevordering (Wij Amsterdammers) terwijl Rotterdammers vooral de handen uit de mouwen lijken te steken en ’in de sociale lift zitten’.

Bij nader inzien is het echter andersom: de kracht van het Amsterdamse sociaal beleid ligt juist in een individuele aanpak gericht op sociale stijging terwijl Rotterdam een sterk stedelijk sociaal programma kent (Mensen Maken de Stad) gericht op samenlevingsopbouw, op bevordering van collectieve verbanden in de multiculturele wijken. In de Amsterdamse aanpak gericht op het ’omhoog werken’ van de zittende bewoners past het investeren in nieuwe, wat duurdere woningen als daarmee de stijgende bewoners de kans hebben om een wooncarrière in de buurt te vervolgen, maar de stad rouwt niet om vertrekkende middenklassers. Ze is veeleer trots dat ze deze heeft afgeleverd.

In Rotterdam ligt het accent in het sociaal beleid sterk op het probleem van gebrekkige sociale cohesie. De sociale en fysieke programma’s zijn gericht op collectief beter samenleven door een meer gemengde bevolkingsamenstelling, waarbij de lokale politici de middenklasse juist niet wil laten vertrekken. Hierbij is, net als in Amsterdam, sprake van een offensieve manier van optreden van politiek en professionals. Huis-aanhuis wordt aangebeld met de vraag of men zich wil inzetten voor straatactiviteiten, het liefst – maar dat blijkt niet altijd eenvoudig – in een etnisch gemengde groep. Dit leidt ertoe dat bewoners die anders langs elkaar heen zouden leven, of erger: bang voor elkaar zouden zijn, de mogelijkheid krijgen om elkaar te leren kennen en codes af te spreken voor het sociale verkeer. Hoewel het verbazend is dat het blijkbaar nodig is te komen tot een nieuwe straatetiquette, is dat wel de werkelijkheid. De Fortuynistische revolte heeft immers niet alleen getoond dat politiek en burgers deels een andere wereld lijken te bewonen. Zij legde vooral de kloven bloot tussen bevolkingsgroepen.

Deze verschillen tussen Rotterdam met het accent op sociaal-culturele kwesties, en Amsterdam met de sociaal-economische aanpak zijn opvallend, maar in principe makkelijk overbrugbaar: laat beide steden hun agenda verbreden en van elkaar leren.

Dit is echter niet zo simpel. Amsterdamse politici lijken in meerderheid namelijk heel bewust van de nieuwe etnische samenstelling van de stad geen probleem te willen maken en zullen dus niet snel de Rotterdamse aanpak volgen. Amsterdam wil geen hek om de stad door inkomenseisen te stellen aan nieuwkomers terwijl Rotterdam juist meent dat het weren van bepaalde groepen bewoners vanwege de grote sociale problematiek gerechtvaardigd is.

In Amsterdam valt op dat de bestuurders wél geloof hebben in de bestaande bevolking en de mogelijkheid om hen ’omhoog te werken’. Waar het Rotterdamse gemeentebestuur lijkt uit te stralen dat het liever een andere bevolking zou willen hebben, geloven de bestuurders van Amsterdam in hun eigen mensen. De Amsterdammers willen ook wel een gemengde(re) bevolking maar niet door spreiding of het afsluiten van wijken voor bepaalde groepen.

Waar Rotterdam in de ’sociale herovering’ van de stad vooral in termen van groepen is gaan denken, is Amsterdam steeds liberaler geworden: het gaat daar primair om een individuele aanpak gericht op vergroting van sociaal-economische mobiliteit. In deze meer liberale aanpak schuilt wel een risico, namelijk dat de sociale samenhang te weinig aandacht krijgt. Amsterdam moet dus leren balanceren tussen het stimuleren van zowel binding als stijging.

De Rotterdamse opgave lijkt nog groter. In de eerste plaats moet de emancipatiefunctie van de stad worden herontdekt, wat betekent dat de bestuurlijke energie niet gestoken moet worden in het buitensluiten van laagopgeleiden maar in het omhoogwerken. In de tweede plaats moet Rotterdam zich niet langer schamen voor waar ze goed in is: sociaal innovatieve programma’s zoals het ’Mensen maken de stad’. Daar zou het gemeentebestuur trots op mogen zijn. Gek genoeg komt het echter in de evaluatie van vier jaar beleid nauwelijks aan de orde. Sociaal is in Rotterdam te soft geworden.

Jan Willem Duyvendak
hoogleraar algemene sociologie aan de Universiteit van Amsterdam



Toevoegen aan
persoonlijk dossier
Gerelateerde dossiers
Gemeentebeleid