Kennisbank > Dossier identiteit, leefstijlen en woonmilieus > Opinie details > Nieuw...

Dossier Identiteit, leefstijlen en woonmilieus

De stad, de wijk en de professional

Een oproep voor meer realisme in de aanpak van stad en wijk

Auteur(s) Wal, O. v.d. & Heijkers, B.
Datum uitgifte  juli 2009

Twee adviezen gezamenlijk uitgebracht
Op 1 juli j.l. zijn de adviezen De wijk nemen en Stad en wijk verweven van respectievelijk de RMO en de VROMraad gezamenlijk gepresenteerd. Gezamenlijk omdat beiden betrekking hebben op het werken in de wijk, het schaalniveau dat de laatste jaren in de discussies en aanpak van de stedelijke vernieuwing en maatschappelijke problematiek is gaan domineren. Beide adviezen brengen nuanceringen aan en doen aan een vorm van verwachtingenmanagement ten aanzien van het effect van het werken aan de wijk. Waar de VROMraad nadrukkelijk een koppeling legt met het stedelijk perspectief, doet de RMO aanbevelingen vanuit het perspectief van de persoon, de bewoner en de professional.

De adviezen komen op een goed moment. Het wijkenbeleid van VROM/WWI is goed op gang gekomen en heeft zelfs een pendant gekregen voor wijken die niet tot de oorspronkelijke veertig behoren. De gemeenten lopen zich warm voor de gemeenteraadsverkiezingen in 2010, burgers verlangen meer van organisaties en professionals en stellen zich steeds actiever op en overheden, maatschappelijke ondernemingen en marktpartijen oriënteren zich om diverse redenen opnieuw op hun rol en positie. In deze context bieden de adviezen een breed palet van waardevolle aanbevelingen die beide perspectieven – het stedelijke en het persoonlijke - raken. Niet alles is nieuw: de oproep om door de schalen te schakelen is eerder gedaan (Endry van Velzen, Mirjam Huffstad), maar de samenhang maakt de aanbevelingen in beide adviezen waardevol. Het zijn aanbevelingen die voor alle betrokkenen bij de wijk en de stad inspiratie en mogelijkheden bieden. Tegelijkertijd blijven enkele thema’s onderbelicht of onbenoemd.

Voorkom tunnelvisie
Beide adviezen staan zeker niet afwijzend tegenover het wijkgericht werken, in tegendeel. Ze wijzen echter wel op het risico van een tunnelvisie bij een te grote nadruk op het wijkgericht werken. Dat is een blikvernauwing die aan de complexiteit van de (stedelijke) samenleving en inrichting geen recht doet. De RMO heeft het zelfs over een wijkmal die ze ziet ontstaan. De adviezen verwijzen daarom op de eerder ook door KEI gesignaleerde niveaus van de stad en de professional als aanvullende werk- en denkkaders. De RMO verwoordt het treffend: “In het wijkgericht werken is het belangrijk dat professionals continu met een brede en gedifferentieerde blik kijken naar de problemen in de wijken en van bewoners. Dat lijkt een open deur, maar deze blik wordt ingeperkt door een aanpak op wijkniveau van bovenaf te verplichten”. Deze bemerking dat sociale problemen gevonden worden in de wijk maar daarmee nog niet hun oorzaak vinden in de wijk, wordt door de RMO op verschillende manieren herhaald.

Keten je niet vast aan de wijk, is de dringende boodschap, ook van de VROMraad. De kracht van een stad wordt gevormd door haar stedelijkheid, en die stedelijkheid kan een belangrijke bijdrage bieden aan sociale stijging. Zorg er daarom voor dat de ontwikkeling van stedelijkheid niet onder druk komt te staan door de nadruk op de wijk. Om dat te voorkomen beveelt de raad een strategie aan van schakelen tussen schalen, verbinden van groepen, en verankeren van maatschappelijk betekenisvolle initiatieven.

Pleidooi voor maatwerk
Beide adviezen doen een warm pleidooi voor maatwerk. Voor de VROMraad betekent dit dat een gedegen visie en een daarvan afgeleid programma de basis zijn om op verschillende schaalniveaus verbindingen te leggen met een breed scala aan betrokkenen. Betrokkenen die zowel uit groepen bewoners als professionals bestaan. Zij geeft hierin voorzieningen een belangrijke rol: deze moeten niet alleen als knooppunten en ontmoetingsplekken voor de wijk fungeren, de zo felbegeerde ‘iconen’ die vooral aan de wijk identiteit verschaffen, ze moeten ook als scharnierpunt voor de stad en de wijk een rol krijgen. Dat kan door ze doordacht over de stad te spreiden. Daarmee kan de wijk steviger verankerd worden in de stad. De Vromraad gaat hierin ver, door voor te stellen dat stedelijke voorzieningen ook in de wijk een plek moeten krijgen – het is de vraag of daarmee de gewenste stedelijkheid voor de wjik niet ten koste gaat van de stedelijkheid van de stad; het centrum heeft nu eenmaal een bepaalde kritische massa aan voorzieningen nodig.

Ook de RMO ziet werken in de stad als maatwerk. Volgens de RMO zijn keuzes die worden gemaakt afhankelijk van drie variabelen; bewoners, professionals en maatschappelijk problemen. Op basis daarvan stelt ze dat de aanpak niet generiek moet zijn. Soms is het beter te spreken van ‘gericht’ dan van wijkgericht werken.” Dit stelt eisen aan de organisatie en aan de professional (die voor de RMO wordt omschreven als “Iedereen die als betaalde kracht met de wijk bezig is”). De RMO gaat niet zover om daar duidelijke richtingen in aan te brengen, wel roept ze op tot het temperen van de verwachtingen op beleidsmatig niveau, en het geven van de ruimte aan professionals om verantwoordelijkheid te dragen. Daarvoor zijn een duidelijke richting en overtuigende doelstellingen (ook hier zien we de visie weer terugkeren) belangrijker dan een te nadrukkelijke oproep om te monitoren, te controleren en verantwoording af te leggen. Staatssecretaris Bussemaker merkte tijdens de presentatie van de adviezen op dat de WMO door gemeenten vaak erg instrumenteel wordt ingezet. Daardoor raken degenen die in de wijk of bij de burger aan de slag zijn van de regen in de drup, de beoogde ruimte voor maatwerk blijft uit.

Er zal wel wat moeten bewegen: de RMO maakt duidelijk dat wijkgericht werken hoge eisen stelt aan professionaliteit, organisaties en sturingsmechanismen. Aan die eisen kan niet met vaststaande methoden worden voldaan. Dit is, ook wat ons betreft, een van de grote opgaven voor de komende tijd. Een duidelijke illustratie hiervan, die we over de hele breedte van de stedelijke vernieuwing tegenkomen, maar door beide adviesraden niet is meegenomen, is de vluchtigheid van de professional. Op plekken die van belang zijn voor het goed verlopen van de werkzaamheden en processen zien wij te veel personele wisselingen plaatsvinden, waarmee kennis en ervaring verloren gaat (zie ook de oproep naar een ‘duurzame professional’ in Sociaal en Fysiek verbonden: het geheim van het hoe). Dit is een van de belangrijke zwaktes van het wijkgericht werken.

Naast de professional geeft de RMO expliciet aandacht aan de rol van de bewoner en onderzoekt of de focus op wijkgericht werken samenvalt met de wijze waarop de burger opereert. Daarbij komt de vraag naar het ‘eigenaarschap van de wijk’ op, afhankelijk van de actieradius van de bewoner. De RMO geeft een gedegen analyse van de betrokkenheid van bewoners in hun wijk en maakt duidelijk dat ‘de burger’ niet bestaat. Ofwel, ook vanuit ‘de burger’ is differentiatie nodig! Die differentiatie mag wat ons betreft ook door de RMO wat sterker benoemd worden. We missen in dit advies degene die wel betrokken is bij de wijk maar er niet woont, denk aan de (kleine) ondernemer. De vraag naar van wie de wijk is, kan niet worden beantwoord zonder ook de andere belanghebbenden in de wijk mee te nemen.

Een afwijkend geluid
Naast vele overeenkomsten leggen de adviezen op een onderdeel andere accenten. De VROMraad doet een pleidooi om de visie op de stad en haar wijken beter te formuleren en als onderlegger voor het werken aan de stad te nemen. Het is een verhaal dat zowel generieke elementen bevat – wat is stedelijkheid – als specifieke: wat hoort bij deze stad en deze wijken. KEI ervaart in haar contacten dat de behoefte daaraan groot is; heldere, actuele en samenhangende visies ontbreken regelmatig, en als ze er zijn worden ze in veel processen snel vertaald naar doelstellingen, die vervolgens leidend worden. Daarin delft het verhaal van de stad op den duur het onderspit. Daar staat tegenover het dringende advies van de RMO om te ‘doen’. Ook daar is veel voor te zeggen. Maar een nadruk op het doen moet er niet toe leiden dat er lukraak wordt gekozen voor het uitvoeren van een reeks projecten in een losse samenhang. Naar onze mening is de grootste winst te behalen in het voortdurend relateren van visie aan doen, waarin visie wordt gevoed door ervaring en werken wordt geleid door visie.

De rol van de lokale politiek
Het ontwikkelen van een stevige visie op verschillende schaalniveaus vraagt veel van de lokale politiek. Hier wordt de visies gemaakt waar de heldere doelstellingen vandaan (moeten) komen die de professionals houvast geven, de verdeling van financiële middelen bepaald, en de organisatiestructuur achter de lokale aanpak vastlegd. Met het belang dat de VROMraad aan visievorming hecht, doet het advies en passant een beroep op wethouders en gemeenteraden. De RMO noemt de politiek opvallend genoeg niet naast de drie variabelen burger, professional en maatschappelijke problemen die ze in haar advies als ijkpunt gebruikt.

Rol en takenpakket van wethouders met stedelijke vernieuwing in portefeuille worden steeds zwaarder: ze moeten met collega’s uit andere steden de verdeling van ISV-gelden bespreken, en binnen het eigen college intensief afstemmen met de collega die bijvoorbeeld de WMO in portefeuille heeft, maar ook met degene die over de besteding van middelen voor groen of cultureel erfgoed gaat. (Deze laatste twee budgetten zijn in het nieuwe grotestedenbeleid na 2010 losgekoppeld van de ISV-budgetten.) Ook moet worden gewerkt aan een structuurvisie, indien gewenst een woonvisie, en het maken van prestatieafspraken met corporaties.

Als wijkwethouder voor enkele wijken wordt de politicus vervolgens aangesproken op de integrale aanpak in zijn wijken, en hij/zij wordt door de kiezer op straat met name aan de jas getrokken over zaken die spelen op het niveau van de individuele woning, straat of buurt. Een pittige klus voor de nieuwe wethouders van 2010 die veel vraagt van hun vermogen om te schakelen, verbinden en verankeren.

Verantwoording als uitdaging
Ook voor de gemeenteraad is de uitdaging groot, wil de aanpak van de stad en de wijken niet vastlopen. Het is logisch dat de raad wil weten of de inspanningen van de overheid goed besteed zijn. In feite gaan deze twee adviezen daar ook over. Er is inmiddels echter een verantwoordingsdrift ontstaan die tot een afrekencultuur leidt. Hoe is de oproep van de VROMraad om verrassing toe te staan en van het RMO om de professional meer armslag te geven te koppelen aan deze beweging? In feite gaat het om de tegenstelling tussen zekerheid inbouwen door beweegruimte in te perken en risico’s toestaan door vertrouwen te geven. Zowel VROMraad als RMO roepen op tot meer vertrouwen in wat kan, en dus een lagere controledwang, zonder aan te geven hoe in dat geval de vraag naar verantwoording beantwoord kan worden.

Hier is vooral een beheerst optreden van de gemeenteraad een belangrijke succesfactor. De RMO adviseert om professionals heldere doelen te geven waarbinnen ze de ruimte krijgen om optimaal te opereren, de VROMraad heeft het over “de verbindende en stimulerende kracht van een beleidskader … waarin ruimte en vertrouwen voor partijen in stad en wijk helder zijn.”. Duidelijke kaders op hoofdlijnen, waar een gemeenteraad in het duale stelsel in samenwerking met de lokale politiek ook aan werkt. De laatste jaren is er echter een verantwoordings- en afrekencultuur ontstaan die hiermee tegenstrijdig is. Het zal een uitdaging zijn voor de nieuwe raden om maat te houden. Maar het is voor de toekomst nodig om in het (wijk)gericht werken meer een continuiteitsborging te krijgen, die weliswaar reageert op de politieke barometer maar niet volledig afhankelijk is van de politieke conjunctuur. Daarnaast is het aan te bevelen dat raad, politiek en lokale rekenkamers gezamenlijk afspraken maken over hoe verantwoording om te buigen van verticale en kwantitatieve (tellen) verantwoording naar horizontaal en kwalitatief (vertellen).

Veranker ook de financiering!
Tot slot is het raadzaam in het kader van het verankeren waarover de VROMraad spreekt, ook de financiering van met name de sociale initiatieven te herzien. De VROMraad wijst enkele malen op de broze positie en middelen van vooral de sociale sector, en de tijdelijke aard van initiatieven in met name het sociale domein. Deze tijdelijkheid en de daaruit voortkomende effecten als een projectencarrousel staan haaks op de wens uit beide adviezen om heldere kaders te scheppen waarmee structureel aan stad en wijk kan worden gewerkt. Hoewel in beide adviezen niet expliciet genoemd, is actie op het herinrichten van sociale financieringsstromen naar meer zekerheid op de langere termijn, daarom van groot belang om de effectiviteit van de overige aanbevelingen te vergroten.

Concluderend
De twee adviezen bevatten een reeks waardevolle aanbevelingen voor iedereen die met of in wijken en steden woont en werkt. Waarbij nadrukkelijk aandacht wordt gevraagd voor realistische verwachtingen bij alle betrokkenen, een oproep die gezien het huidige klimaat door iedereen herkend en ook onderkend zal worden. Concrete invulling van die oproep vraagt van iedereen een inspanning, waarbij de adviezen verschillende handreikingen bieden. En waarbij naast de bewoners en professionals ook de politiek maatwerk als richtsnoer moet nemen.



Reacties
» Reactie plaatsen

Toevoegen aan
persoonlijk dossier
Relevant
Documentatie: De Wijk nemen, 2009

Documentatie: Stad en wijk verweven, 2009

Nieuws: RMO: overheid moet zuiniger, 27 jan 2010

Gerelateerde dossiers
Rol overheid
Sociaal-fysieke wijkaanpak
Rijksbeleid
40 wijken
Voorzieningen
Leefbaarheid
Participatie en communicatie
Gemeentebeleid
Competenties