Kennisbank > Dossier rol corporaties > Opinie details

Dossier Rol corporaties

Stapelgek

Auteur(s) Buys, A.
Datum uitgifte  juli 2006
Bron RIGO, jaarverslag 2005

We doen nu al decennia lang woningmarktonderzoek en als er één uitkomst voorspelbaar is dan is het deze: het gros van de woningzoekenden, zelfs in de stad, wil een eengezinshuis. Dus wat bouwen we? Flats, steeds maar weer flats. Veel meer althans dan mensen lief is. Vanwaar toch die stapeldrang?

Een deel van het misverstand ligt besloten in het woord ‘eengezinshuis’. Er komen steeds minder gezinnen, dus heb je ook minder gezinswoningen nodig, zo luidt een redenering van veel stapelaars. Zo simpel werkt dat helaas niet. Uit onderzoek blijkt dat bijna iedereen vroeg of laat een gezinsfase doormaakt. In de aanloop naar die gezinsfase ontwikkelt zich een grote voorkeur voor het gezinshuis en in de legenestfase blijven ouderen gewoon in hun gezinswoning zitten. Vandaar dat de vraag naar nieuwe eengezinshuizen (of liever: grondgebonden woningen) door jonge woningzoekenden voorlopig onverminderd groot blijft.

Dan is er de fixatie op aantallen woningen, gecombineerd met de illusie van intensief ruimtegebruik. Gemeentebestuurders laten zich graag voorrekenen dat stapelen gunstig uitpakt voor de grondexploitatie en voor het draagvlak voor voorzieningen. Of dat ook overal een duurzaam aantrekkelijk woonmilieu oplevert, is een vraag die men liever uit de weg gaat. Trouwens, het is al lang bekend dat je ook met laagbouw aardig hoge dichtheden kunt bereiken. En als je bedenkt dat in gezinswoningen gemiddeld meer personen wonen dan in een appartement, dan kun je op hetzelfde stuk grond in laagbouw misschien wel meer mensen huisvesten dan in flats.

In stedenbouwkundige kring valt ook weinig enthousiasme voor het eengezinshuis te bespeuren. Steeds weer worden we getrakteerd op massieve blokkendozen in het collectieve groen. Dat mensen liever in een laagbouwwijk met een privétuin en een echte straat wonen, wil er maar niet in. Deprimerende huurkazernes uit de wederopbouwtijd worden gekoesterd alsof het museumstukken zijn. Cultureel erfgoed. Als ze al worden vervangen, dan is dat door, opnieuw, flatblokken, maar dan duurder en zo mogelijk dichter op elkaar. Conservatisme wordt verkocht als culturele opgave. Ontwerpers die dit patroon wagen te doorbreken worden door consumenten omarmd, maar door de vakwereld verketterd.

Betrekkelijk nieuw is de opvatting dat gezinnen in steden niet thuis horen. De bijbehorende metafoor is die van de stad als ‘emancipatiemachine’, ‘roltrap’ of ‘opwerkingsfabriek’. Steden trekken voortdurend jongeren aan, die zich op vele manieren ontplooien. Als deze jongeren na een tijdje aan settelen toe zijn en ook wat meer te besteden hebben, trekken ze veelal weer de stad uit, op zoek naar die eengezinswoning. Dit patroon dreigt nu te worden verheven tot norm voor alle stadsbewoners. Wie niet (meer) deelneemt aan de grootstedelijke activiteiten, moet maar ophoepelen naar de suburbs en plaats maken voor nieuwe stedelingen. Het gekke is dat de partijen die dit roepen, tevens ‘de middenklasse’ in de stad willen vasthouden. Wel de middenklasse vasthouden, maar (aanstaande) gezinnen wegjagen. Wat voor middenklasse zouden ze dan voor ogen hebben?

Natuurlijk, wie een groot huis met een tuin rondom wil, heeft in de stad niet veel (meer) te zoeken. En natuurlijk, in echt stedelijke gebieden en op locaties met stedelijke potentie ga je geen laagbouw neerzetten. Een mooie flat is niet lelijk. Maar het aantal stadsbuurten dat zich werkelijk leent voor grote aantallen appartementen is beperkt en het aantal werkelijke stedelingen dat in de markt is voor een dergelijk milieu zou wel eens kleiner kunnen zijn dan menigeen denkt. Het gaat om een kritisch, statusgevoelig publiek, dat niet warm loopt voor elk appartement in elke willekeurige buitenwijk.

Wie goed kijkt, ziet meer stadsbewoners dan studenten, yuppen of andere hippe stedelingen. De steden zitten vol met urban villagers: mensen die geen grootstedelijke oriëntatie hebben en soms ook nooit hebben gehad. Vooral in de vroeg-naoorlogse wijken stikt het weer van de gezinnen. Degenen die het zich kunnen veroorloven – zeg maar de nieuwe middenklasse – zie je bij bosjes suburbaniseren. Het lijkt wel een echo van de jaren zeventig. Deze mensen doe je een groot plezier met grondgebonden woningen. En dat hoeft heus niet alleen maar in traditionalistische retrostijl. Het moet toch een mooie uitdaging zijn om ook in de stad hedendaagse gezinsvriendelijke milieus te ontwikkelen. Dat zou pas een culturele opgave zijn. Maar je moet de doelgroep natuurlijk wel willen zien en niet te krampachtig doen over woningaantallen en grootstedelijkheid.

André Buys,
onderzoeker bij RIGO



Toevoegen aan
persoonlijk dossier
Gerelateerde dossiers
Aanpak woningvoorraad
Architectuur en stedenbouw
Culturele Opgave