| Auteur(s) | Stichting Natuur en Milieu |
| Datum uitgifte | apr 2006 |
| Bron | Stichting Natuur en Milieu |
Het rapport Derks (Universiteit van Maastricht, februari 2006) over structurele bevolkingsdaling heeft Nederland laten schrikken. Vanaf 2030 daalt de Nederlandse bevolking als geheel, met alle effecten van dien op economie en werkgelegenheid, maar ook op behoefte aan infrastructuur en bouwlocaties. In perifere gebieden als Limburg en Drenthe zijn de effecten nu al voelbaar. Veel huidige plannen voor wegen, woningbouw en bedrijventerreinen leiden straks tot loze capaciteit. En dat is zonde van het geld en de schaarse (groene) ruimte.
Stichting Natuur en Milieu vindt dat grotere bouwprojecten doorgelicht moeten worden op hun nut en noodzaak op de lange termijn. Doel is te komen tot ‘toekomstvast bouwen’, want die lange termijn is ineens een stuk minder ver weg. Doorgaan met de ontwikkeling van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen veroorzaakt anders alleen maar ongewenste leegstand en verpaupering van bestaande steden en tot onnodig verlies van groene gebieden.
Daarnaast betekent toekomstvast bouwen dat bestuurders maximaal gebruik maken van de al bestaande bebouwde ruimte. Het is de provincie die nu de rol van ‘capaciteitbeheerder ruimte’ op zich moet nemen!
Derks concludeert dat de bevolkingsdaling nu al plaatsvindt in perifere gebieden, maar dat op termijn zelfs de Randstad niet ontkomt aan een daling van de bevolking. De daling van de woningbehoefte zet wat later in, omdat de huishoudens nog steeds kleiner worden door de vergrijzing.
De vergrijzing leidt er evenwel ook toe dat de werkzame beroepsbevolking al eerder daalt dan de bevolking als geheel. Daardoor neemt de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen en uitbreiding van wegen (woon-werkverkeer is immers bepalend) nog sneller af.
Nu al merkbaar
Ervaring met deze rigoureuze omschakeling is er al in de provincie Limburg. Het woningbouwprogramma is daar naar beneden bijgesteld. Bouwen betekent voortaan herstructurering van bestaande woonwijken in plaats van de aanleg van nieuwe wijken. Een ander voorbeeld is de gemeente Soest, die vooral appartementen gaat bouwen voor senioren, zodat eengezinswoningen vrij komen voor starters.
Derks wijst er terecht op dat ook de plannen voor de Noordvleugel van de Randstad kritisch bezien moeten worden. Komen die er niet op neer dat nog meer mensen van perifere regio’s naar dit deel van het land zouden (moeten) verhuizen? Is dat wel acceptabel?
Momenteel al worden meerdere plannen voor bedrijventerreinen naar beneden bijgesteld vanwege nieuwe ramingen over de behoefte aan extra capaciteit. Voorbeelden daarvan zijn onder andere een groot gepland bedrijventerrein bij Moerdijk en het glastuinbouwgebied tussen Arnhem en Nijmegen.
Er zijn nog veel meer plannen in de maak waar nog eens goed naar gekeken moet worden om onnodige bebouwing te voorkomen. Zo noemde de Brabantse Milieufederatie in een persbericht (30 maart 2006) de Kloosterstraat in 's-Hertogenbosch, de Auvergnepolder in Bergen op Zoom en De Geer Noord in Oss.
Ook plannen voor nieuwe wegen en wegverbreding zouden eens goed tegen het licht gehouden moeten worden. Zoals de nieuw aan te leggen Centrale As in Noord-Friesland, dwars door een bijzonder landschap. Daar wordt geheel ten onrechte al ruimte gemaakt voor een toekomstige verbreding tot vier rijstroken. Ook bij de noodzaak van verbreding van de N33 in Drenthe kunnen vraagtekens worden geplaatst.
Provincie capaciteitsbeheerder
Provinciehuizen zijn in de meeste gevallen het centrum van planningen, ramingen, inspraak en beslissingen. Het provinciale overheidsniveau heeft daarom een belangrijke rol als capaciteitsbeheerder voor bedrijventerreinen, woningbouw en transportinfrastructuur. De provincies moeten het voortouw nemen in het maken van een realistische inschatting van benodigde capaciteit, om vervolgens waar nodig bouwplannen bij te stellen.